Advertentie
Banner-Moor-Veronesi-Mersbergen-Vries-DNBG-1454×183

Against Storytelling

Verhalen als een transformerende kracht. Bij Miriam Rasch roept de ophemeling van storytelling vooral weerzin op. Ze gaat te rade bij andere sceptici, zoals Peter Brooks, Galen Strawson en Byung-Chul Han.

Besproken boeken

Wat hebben schrijvers als Rebecca Solnit, Olga Tokarczuk en Amitav Ghosh met elkaar gemeen? Alle drie hebben ze geschreven over de nood aan verhalen om de wereld te redden. ‘Every crisis is in part a storytelling crisis’, zoals Solnit onomwonden stelt in een artikel over de klimaatcrisis in The Guardian van 12 januari 2023. Nieuwe, betere verhalen zullen mensen doen inzien dat een andere wereld mogelijk is. Tokarczuk stelt in haar Nobelprijs-speech dat de wereld wordt geschapen uit woorden – dat wat niet verteld wordt, verdwijnt. Ze pleit voor verhalen voorbij het eerstepersoonsperspectief, voor fictie die meerlagig is, die zich loswoelt uit het nauwe onderscheid tussen waar en onwaar, en daarmee de mens traint in menselijkheid. Amitav Ghosh ziet het als de taak van kunstenaars en schrijvers – een last op hun schouders zelfs – om met verhalen tegenwicht te bieden aan het antropocentrisme dat leidt tot de vernietiging van al het levende, inclusief de mens zelf. Het is van een ‘dringende morele urgentie’ om ook naar niet-menselijke stemmen te luisteren en de manier waarop dat kan is door middel van het verhaal, schrijft hij in De vloek van de nootmuskaat (2023).

Het zijn hartstochtelijke pleidooien voor de transformerende kracht van verhalen, die je in verdunde vorm ook in de krant terugvindt. Als ‘links’ maar een goed verhaal had, zou het de verkiezingen winnen. Als je het verhaal van de vernietiging van de natuur maar goed vertelt, moet men wel luisteren. Het is inmiddels een gemeenplaats dat je voor verandering moet inspelen op emoties en identiteit, wat het beste gaat met een verhaal. Droge feiten, verontrustende data en een overdaad aan informatie helpen duidelijk niet. Het verhaal biedt toegang tot de ziel. Daar moet je wezen als je iemand in zijn hart wilt raken. Het zou te maken hebben met de werking van het brein, dat de wereld begrijpt in verhalende vorm. Hoe we kijken naar anderen, onszelf, de toekomst en het verleden: het gaat volgens sommigen niet anders dan in een narratieve structuur. Leven is verhalen vertellen, en andersom. ‘We tell ourselves stories in order to live’, in de gevleugelde woorden van Joan Didion.

Verhalen compliceren de boel

Storytelling klinkt, zeker op zijn Nederlands, allereerst als marketing. Het verhaal wordt zeker ingezet als strategie om de mens in het hart te raken, maar vooral omdat er iets te verkopen valt.

Er is iets aan deze ophemeling van het verhaal wat me enorm stoort. (Niet persoonlijk bedoeld, Rebecca, Olga en Amitav!) Al jaren verzamel ik notities onder de noemer ‘Against Storytelling’. Storytelling klinkt, zeker op zijn Nederlands, allereerst als marketing. Het verhaal wordt zeker ingezet als strategie om de mens in het hart te raken, maar vooral omdat er iets te verkopen valt. Zulke storytelling is geen uitnodiging om mee te denken maar eerder een slot op het denken. Dat geldt ook buiten de context van reclame. We moeten ergens van overtuigd worden. Maar waarom zou een verhaal ook maar iets uithalen in een planetaire catastrofe? Heeft rechts echt een beter verhaal dan links of vooral heel effectieve propaganda? Dat het ook op zo’n hoog niveau werkt, lijkt een weinig onderbouwde aanname. Er wordt zelden een voorbeeld gegeven van een verhaal dat zo’n grote impact heeft gehad. De drie genoemde auteurs zijn geboren vertellers, maar hun werk is niet te reduceren tot een oplossing (gelukkig maar!). Solnit heeft met haar concept ‘mansplaining’ voorgoed de wereld in een ander licht gezet, Tokarczuk verruimt de geest door een ‘vierdepersoonsperspectief’ te hanteren dat ons wegslingert uit ons eigen beperkte bestaan, Ghosh laat zien hoe gebeurtenissen enorme afstanden in tijd en ruimte kunnen overbruggen. Deze drie hebben met hun concept misschien wel de duidelijkste wereldse impact gehad, maar die verhalen compliceren de boel vooral.

Voor de hand liggende voorbeelden van succesvolle storytelling zijn eerder de ‘Grote Verhalen’ zoals die van de kerk of politieke ideologieën, die met moeite omvergeworpen zijn om ruimte te scheppen voor een meervoud aan kleine verhalen. De vrijheid om je eigen verhaal te vertellen, is dat niet de meest transformerende kracht geweest? Al heeft diezelfde vrijheid weer het verlangen opgewekt naar verhalen die groots en verbindend zijn.

De essayistische stijl, die non-fictie en narratieve elementen door elkaar mengt, bijeengehouden door een authentieke vertelstem, is mainstream geworden. Wat me daar het meest aan bevalt is het fragmentarische en wijdlopige ervan, met andere woorden, het niet-verhalende.

Mijn ergernis komt ook doordat storytelling vaak een plichtmatig trucje lijkt. De tijd dat je van elke longread de eerste vijf alinea’s met de obligate persoonlijke anekdote kon overslaan, ligt gelukkig achter ons – dat is storytelling op z’n smalst. Maar nog vaak genoeg voelt het doorzichtig wanneer je als lezer of luisteraar een essay of podcast binnen wordt gelokt met een verhaal. De essayistische stijl, die non-fictie en narratieve elementen door elkaar mengt, bijeengehouden door een authentieke vertelstem, is mainstream geworden. Wat me daar het meest aan bevalt is het fragmentarische en wijdlopige ervan, met andere woorden, het niet-verhalende. Ik geloof dat mijn allergische reactie op het wereldreddende verhaal dat alles goed moet maken te maken heeft met het affe en complete dat zo’n verhaal wel moet bezitten, het rondbreien en opdienen van betekenis. Dat heeft niets met het leven te maken zoals ik dat heb leren kennen. Maar daar kom ik later op terug.

Online stories zo glad als porno

Ik sta niet alleen in mijn scepsis. Met enige regelmaat verschijnen er artikelen en boeken ‘tegen storytelling’. Zo voert de filosoof Galen Strawson al jaren een kruistocht tegen het idee van de mens als verhalend wezen, onder andere in zijn essaybundel Things That Bother Me: Death, Freedom, The Self, Etc. (2018). Peter Brooks, literatuurwetenschapper met een trackrecord in narrativiteit, keek in Seduced by Story: The Use and Abuse of Narrative (2022) kritisch terug op zijn eigen ‘ontdekking van het cruciale belang van het narratief en van storytelling’ in Reading for the Plot (1984). En onlangs verscheen De crisis van het narratieve (2024) van de filosoof Byung-Chul Han, die zich fel keert tegen het fenomeen storytelling, al heeft dat als reden dat hij de kracht van het verhaal juist terug wil vinden.

We maken de ene story na de andere, maar van een gemeenschappelijk, richtinggevend verhaal is geen sprake. En zonder zo’n verhaal krijg je een gefragmenteerde, stuurloze samenleving die zich overgeeft aan de zinloosheid van het consumentisme en vatbaar is voor populisme en complotdenken.

Om met de laatste te beginnen. Han doet op zijn kenmerkende puntig-pedante wijze uit de doeken waar het volgens hem misgaat. Iedereen heeft het tegenwoordig over het verhaal, maar dat is eerder een teken van gebrek: ‘Het inflatoire gebruik van het narratieve verraadt paradoxaal genoeg een narratieve crisis. Te midden van het luidruchtige storytelling heerst een narratief vacuüm, dat tot uiting komt als zinledigheid en gebrek aan oriëntatie.’ De story in storytelling heeft voor hem dan ook weinig te maken met echte verhalen. Daarvoor keert Han terug tot het mythische kampvuur, waaromheen jong en oud zich verzamelt om met geconcentreerde gezichten en ingehouden adem te luisteren naar de stamoudste. Verhalen zijn wel degelijk van onschatbare waarde, maar dan van een menselijke, betekenisgevende aard, niet de drek die het kapitalisme ervan heeft gemaakt. ‘Storytelling is storyselling’, klinkt Hans vileine mantra. We maken de ene story na de andere, maar van een gemeenschappelijk, richtinggevend verhaal is geen sprake. En zonder zo’n verhaal krijg je een gefragmenteerde, stuurloze samenleving die zich overgeeft aan de zinloosheid van het consumentisme en vatbaar is voor populisme en complotdenken.

Waarom zijn verhalen eigenlijk verbindend? Han beschrijft ze als een ‘gesloten vorm’, ‘die zin en identiteit sticht’. In de moderniteit, waar het juist ging om het openbreken van de ervaring en het doorbreken van grenzen, zijn we die gesloten orde kwijtgeraakt. Het heeft ons tot eenzame individuen gemaakt, wanhopig op zoek naar betekenis. Han, die in de loop der jaren steeds conservatiever lijkt te worden en zijn kritiek op digitale technologie koppelt aan een wat ouderwets idee van gemeenschappelijkheid, verbindt het verhaal behalve aan het kampvuur ook aan het ritueel, de religieuze kalender en het aura van het kunstwerk. Allemaal punten in de tijd en plekken van samenkomst ver weg van het scherm. Daar kunnen we delen in hetzelfde verhaal dat ons ‘verankert in het zijn’, in plaats van ons te verliezen in onze eigen timeline.

De teloorgang van het verhaal is volgens Han te wijten aan twee samenhangende factoren: sociale media en kapitalisme. ‘Digitale platforms als Twitter, Facebook, Instagram, TikTok of Snapchat hebben zich op het nulpunt van het verhaal genesteld’, schrijft hij. Schermen hebben het kampvuur vervangen, in de gloed van de telefoon wisselen we alleen nog informatie uit, snippers losgerukt uit enig zinvol verband. Han noteert droogkomisch: ‘Op de vraag “Hoe kan ik een levensgebeurtenis toevoegen of bewerken op mijn Facebookprofiel?” krijg je als antwoord: “Tik op Info en dan in het linkermenu op Levensgebeurtenis”.’ De optelsom van informatie zonder narratieve betekenis dient de winst. De tweelingbroer van de technologie, kapitalisme, heeft de wereld getransformeerd tot een (digitaal) warenhuis waar het verhaal alleen nog dient tot marketing, van spullen of van mensen.

Daarmee verhindert storytelling ook systeemkritiek. Als iedereen bezig is zichzelf te verkopen, heeft de wijsheid het nakijken. De gedeelde verankering in betekenis is ingeruild voor een gedeelde nietszeggendheid.

In een fanatiek tempo wisselen we online informatie uit. Niet om de ander te leren kennen, maar om onszelf te verkopen. Worstelingen en overwinningen presenteren we in TED-talk-taal. Werkend aan ons eigen merk, reduceren we het verhaal tot een eerstepersoonsrelaas dat eerstepersoonsbelangen dient. Allemaal symptomen van main character syndrome. Daarmee verhindert storytelling ook systeemkritiek. Als iedereen bezig is zichzelf te verkopen, heeft de wijsheid het nakijken. De gedeelde verankering in betekenis is ingeruild voor een gedeelde nietszeggendheid. ‘Conduits for the universal’ noemt Maria Tumarkin die online stories en talks: voorspelbare verhaallijnen die leiden tot een vaststaand einde. (Het cliché wil immers dat er maar zeven verschillende plots zijn.) Maar zo’n universele vorm, schrijft ze, ‘kan de ruimte vol frictie en stilte die ontstaat door te vertellen en luisteren glad en elementair maken, als een terugkeer naar hoe het ooit was, zoals een vrouw na een brazilian wax.’ Dat klinkt als de nachtmerrie waaruit Han midden in de nacht wakker schrikt: online stories zo glad als porno, instantbevrediging die de consument leeg en vervreemd achterlaat.

Wat stelt Han daartegenover? Het lijkt erop dat hij wil dat we het ene universele, de nullen en enen van informatie, terug ruilen voor het andere universele, de gesloten orde van het verhaal. Hoe die tweede orde eruitziet blijft vaag. Gaat het om de Grote Verhalen van het verleden – wier omverwerping Han nauwelijks aanstipt? Om big history zoals van Yuval Noah Harari, die de hele geschiedenis van de mensheid in één gebaar omvat? Tellen complottheorieën ook, waarin voor elk detail een rolletje is weggelegd? Of zelfs een meer techno-kapitalistisch gesloten systeem zoals de metaverse of transhumanisme? Tokarczuk schrijft over het eenentwintigste-eeuwse kampvuur van de Netflix-serie, maar daar wil Han niet aan. De seriekijker ‘wordt als consumptievee vetgemest’, schrijft hij. De Netflix-formule voor storytelling is inmiddels behoorlijk grijsgedraaid, dat is waar. Maar teruggaan naar een verleden waarin iedereen genoeg had aan hetzelfde verhaal klinkt mij behalve grijsgedraaid ook behoorlijk claustrofobisch in de oren.

Het kan dat ik een deel ben van het probleem dat Han signaleert – te postmodern en seculier om me een voorstelling te kunnen maken van zo’n door verhalen verbonden gemeenschap. Sinds we verhalen hebben leren zien als constructies, en dus als toevallig en vervangbaar, leven we in ‘post-narratieve tijden’, schrijft Han. En dat is niet waar hij wil zijn. In Seduced by Story geeft Brooks hier een andere draai aan. Volgens hem staat aan de basis van de ‘storification of reality’ juist de (post)moderne opvoeding waarin we allemaal hebben geleerd de werkelijkheid te lezen als verhaal. Hij wijst zelfs de Russische formalisten en Franse structuralisten aan als ‘schuldigen’. De reclame-industrie en de opkomst van sociale media hebben het proces van storification versneld. Sindsdien is het verhaal de dominante vorm van communicatie. Er is niet zoiets als een mythisch verleden, waarin de mens als verhalend wezen geboren werd, of dat verleden was de twintigste eeuw.

In plaats van het verhaal als kern van de mens aan te wijzen, een kern die gecorrumpeerd is, zou je dus ook de storification kunnen begrijpen als corrumpering – al gaat Brooks niet zover om dat te beweren. De mens zat vast ooit diepreligieus en onderling verbonden bij elkaar, maar daarvoor zijn geen verhalen nodig. Muziek, liederen, of poëzie kunnen die functie net zo goed vervullen.

Poreus en incompleet

Storytelling slaat zowel op het idee van de moderne proliferatie van verhalen (waarin iedereen zijn memoires schrijft) als op de nood aan dat ene, verbindende verhaal (verteld rondom het kampvuur). Op de narratieve structuur die iedereen over zijn eigen individuele leven heen legt en op het gesloten verhaal met universele betekenis. Op vertellen om te verkopen en vertellen om te begrijpen. Storytelling is probleem en oplossing tegelijk. Maar welke vorm is het probleem en welke de oplossing?

Han heeft moeite met de proliferatie van verhalen. Mijn weerstand ligt eerder in het gesloten karakter van het verhaal. (We hekelen beiden het verhaal als reclameboodschap.) Als de mens echt een verhalend wezen is, hoe kan proliferatie dan verkeerd zijn? Het is opmerkelijk dat in een boek over narrativiteit en storytelling niet wordt ingegaan op het einde van de Grote Verhalen, zoals verkondigd door Lyotard. De kracht van het verhaal is er ook juist in gelegen dat er altijd een ander verhaal te vertellen valt, en een derde, vierde, vijfde.

Storytelling hoeft het gebrek aan een groot verhaal niet op te lossen door er zelf een groot verhaal tegenover te zetten. Er kan ook een poging worden gedaan om het vacuüm van betekenis te vullen met een diversiteit aan verhalen, zonder dat dat hoeft te resulteren in een koor van ikken.

Zoals Han opmerkt zijn populisten in het gat van betekenisgeving gesprongen, zij bieden nu de gesloten orde aan die betekenis en identiteit geven. Hij stelt dat die populistische verhalen niet werken, dat ze geen community scheppen. Dat betwijfel ik. Het succes ervan zet juist vraagtekens bij de wenselijkheid van zulke gesloten verhalen. Storytelling hoeft het gebrek aan een groot verhaal niet op te lossen door er zelf een groot verhaal tegenover te zetten. Er kan ook een poging worden gedaan om het vacuüm van betekenis te vullen met een diversiteit aan verhalen, zonder dat dat hoeft te resulteren in een koor van ikken.

Er blijken vele alternatieve vertelvormen te zijn waar we een voorbeeld aan kunnen nemen. Zoals inheemse storytelling, waarin andere stemmen klinken dan alleen de menselijke. De bioloog Robin Wall Kimmerer vertelt in Een vlecht van heilig gras (2013) hoe ze gesprekken voert met planten – wezens die in de Potawatomi en andere inheemse tradities gewoon deel uitmaken van het geheel. Ook zij benadrukt dat de weg vooruit ligt in het vertellen van andere verhalen dan we gewend zijn. Of neem de ‘critical fabulation’ van Saidiya Hartman, een wetenschappelijke methode waarmee ze feit en fictie combineert, om vergeten mensen en verhalen uit de geschiedenis toch aan het woord te laten. Een ander voorbeeld is het laatste boek van Ta-Nehisi Coates, The Message (2024), waarin hij het moeizame proces beschrijft waarmee alternatieve verhalen – en dus betekenissen – tot stand komen als het gaat om de trans-Atlantische slavernij en Palestina. Door die twee geschiedenissen aan elkaar te verbinden, creëert hij een nieuw narratief. Het geconstrueerde karakter doet niet af aan de betekenis ervan, maar maakt wel direct duidelijk dat zulke narratieven niet gesloten zijn, maar juist open, poreus en incompleet. Het verhaal is niet een ding in bezit van de verteller, het ontstaat in een bezield verband van wederzijdse uitwisseling. Verhalen zijn levende geschiedenissen.

Oh, zingeving

Brooks opent zijn boek met een korte terugblik op zijn eerdere geloof in het narratief als structuur van ons leven. Inmiddels is hij daar enigszins van genezen. Dat herken ik. Ik schreef dat ik de kriebels krijg van het affe en complete, de rondgebreide en opgediende betekenis die ook nog eens voor verbinding en gemeenschap moet zorgen. Dat is niet altijd zo geweest. Ook ik was een gelovige, voelde me aangetrokken tot het idee dat het leven een verhaal is, dat dat is hoe we chocola maken van de werkelijkheid. Ik bestudeerde de narratieve filosofie van Paul Ricœur, die je niet alleen terug kon zien in je eigen leven maar ook in tv-series en sociale media. Ik verdiepte me in emplotment als een drijvende kracht van zelfreflectie en zelfkennis, in het verhaal als instrument van betekenisgeving, in de ethiek van narrativiteit.

Oh, wat wilde ik graag closure en zingeving en gemeenschap! En ik wilde waarschijnlijk ook graag gelijk hebben, met mijn keuze om literatuurwetenschap te gaan studeren, want een ophemeling van het verhaal zegt ook dat de literaire blik van de grootste waarde is.

En toen (en toen…) kwam het Grote Verhaal dat voorgoed het doek voor mijn ogen zou verscheuren, zoals Milan Kundera dat heeft genoemd.

En toen (en toen…) kwam het Grote Verhaal dat voorgoed het doek voor mijn ogen zou verscheuren, zoals Milan Kundera dat heeft genoemd: de dood van een naaste, mijn vader. Niets zou ooit nog sluiten of anders dan zinloos zijn. En sindsdien werd het precies dat wat ik zocht in de literatuur: verhalen die de versplintering, de zinloosheid en de contingentie van het leven tonen, die je het lijden in de bek laten kijken. Verhalen die geen verhaal willen zijn.

Oh, al die romans over de dood waarin het toch nog goedkomt (want ondanks het sterven hebben de achterblijvers betekenis gevonden, is er verzoend en vergeven)! Dat moest wel storytelling op z’n allerergst zijn. De TED-talk in autofictievorm, uitgesmeerd over honderden bladzijden. Nepbetekenis vond ik het, eerder zelfbedrog dan zelfkennis, fictie die doet alsof ze werkelijkheid is. Het leven gepresenteerd als een realityshow, die door procedés ontleend aan film en literatuur, kortom aan fictie, iets volkomen onwerkelijks krijgt. Doe mij dan maar sociale media, waarop de gefragmenteerde wereld in stukjes tot je komt!

Alles is tegenwoordig trauma, schrijft Parul Sehgal in een stuk voor The New Yorker uit 2021 getiteld ‘The Case Against the Trauma Plot’, en daarmee wordt elk handelen verklaard, gladgestreken en onschadelijk gemaakt. Dat is paradoxaal te noemen, want trauma is nou net een teken van schade, een scheur met rafelige randen die niet weg te verklaren is. Maar als categorie die functioneert in zowel DSM als populaire cultuur is trauma een handig etiket geworden waarmee je mensen en gebeurtenissen kunt plaatsen. De prijs is echter hoog: het traumaplot slaat de zaken plat, reduceert personages tot symptomen en giet er ook nog een moreel sausje overheen, aldus Sehgal. De paradox is, denk ik, makkelijk op te lossen als je het traumaplot ziet als het perspectief van de buitenstaander, dat vrij weinig zegt over hoe het is voor degene die het trauma ondergaat. (Soms is de buitenstaander iemand die zelf hersteld is van trauma.) Het plot, rondgebreid en opgediend, is een talisman, een copingmechanisme. Een gesloten structuur die betekenis geeft.

‘Trauma is synoniem geworden met backstory’, schrijft Sehgal, maar de nood aan backstory is een recent fenomeen. Persoonlijkheid hoeft niet gelijk te staan aan persoonlijke geschiedenis. Dat onderschrijft de filosoof Galen Strawson ook. In Things that Bother Me: Death, Freedom, The Self, Etc. onderzoekt hij de grondslagen van de these dat de mens een verhalend wezen is. Die zijn er niet, is zijn conclusie. De mens begrijpt zichzelf helemaal niet per definitie als het resultaat van een geschiedenis, betoogt hij met duidelijke frustratie. Hij schreef ook een filosofisch paper hierover, getiteld ‘Against Narrativity’. Narrativiteit is ‘a fallacy of our age’. Sommige filosofen en psychologen gaan zelfs zover in hun gelijkstelling van mens en narrativiteit, schrijft hij, dat eenieder die zijn leven niet opvat als verhaal eigenlijk geen persoon genoemd zou mogen worden.

Zelf rekent hij zich tot de mensen die ‘episodisch’ of ‘transcient’ leven, dat wil zeggen, die hun leven ervaren als een opeenvolging van voorbij vliedende scènes, die zich niet chronologisch in het geheugen nestelen en zeker niet in de vorm van een verhaal. Strawson rekent tot zijn gezelschap onder anderen Michel de Montaigne (die naar eigen zeggen een slecht geheugen had), Marcel Proust (die het heeft over een ‘innerlijk boek’, dat echter geschreven wordt na een reeks ‘onvrijwillige herinneringen’) en Virginia Woolf (denk: Orlando).

In plaats van een verhaallijn zie ik als ik terugdenk aan mijn leven eerder een archeologische opgraving voor me. Her en der een afzetting, stenen die naar de oppervlakte woelen, een potscherf die in de modder glimt.

Of ik net als Strawson een episodisch mens ben, weet ik niet zeker – dat ik het niet zeker weet zegt waarschijnlijk dat ik het in elk geval deels ben. Ik wurm me het liefst onder categoriseringen uit. Maar ik begrijp nu wel beter waar mijn weerzin tegen storytelling vandaan komt. Dat resoneert niet met wie ik ben. In plaats van een verhaallijn zie ik als ik terugdenk aan mijn leven eerder een archeologische opgraving voor me. Her en der een afzetting, stenen die naar de oppervlakte woelen, een potscherf die in de modder glimt. Vroegwijs en nooit volwassen, eerst altijd de jongste en toen altijd de oudste, als twintiger reeds van middelbare leeftijd, iets te veel ziekte en dood in de rugzak maar daardoor op een vreemde manier ook licht bepakt. Een slecht geheugen, zowel voor wat er is gebeurd als voor de toekomst.

Strawson herinnert de lezer (en zichzelf) eraan dat je geen moreel onderscheid moet maken tussen episodische en narratieve mensen. De ene is niet beter dan de andere – het zijn verschillende manieren van in de wereld zijn. Uiteindelijk gaat het niet om het verhaal en zijn narratieve vorm, maar om dat wat betekenis geeft, of zoals Han zegt, je ‘ankert in het zijn’. Episodisch zijn vraagt om een andere verankering. En als alles een verhaal kan zijn, van reclamecampagne tot politieke propaganda, van Instagramfeed tot traumaplot, dan kunnen we ook elders betekenis vinden, op plekken voorbij het verhaal. Bij het kampvuur worden immers ook liederen gezongen. In de duisternis van de gevangeniscel wordt poëzie gereciteerd. De kracht van Rilkes regel ‘Je moet je leven veranderen’ verandert daadwerkelijk levens. Er zijn bundels met lapidaria (Ryszard Kapuściński) en frantumaglia (Elena Ferrante). Dagboeken en hoofdkussenboeken. Naar aanleiding van misschien wel de beste roman die ik in de afgelopen tien jaar las, Notities van een theoreticus (2023) van Shi Tiesheng, schrijft vertaler Mark Leenhouts dat Chinese schrijvers lak hebben aan plot. Er is trouwens ook Byung-Chul Han met zijn puntig-pedante stijl. Er zijn hashtags, memes en YouTube-video’s. Er is dat alles en meer. We zijn niet alleen storytellers, maar ook storymakers, houdt Robin Wall Kimmerer ons voor. En, voeg ik daaraan toe: lezers, luisteraars, delers, gravers.